Stuurboord

KVB1Vaarregels

Hoofdvaarwater & nevenvaarwater

Verschil in status en bijbehorende verplichtingen.

Het onderscheid tussen hoofdvaarwater en nevenvaarwater is de basis onder een groot deel van de vaarregels. Zonder dit onderscheid kun je art. 6.16 BPR niet toepassen — en dat artikel komt op het examen heel vaak terug.

De definities

Hoofdvaarwater — het belangrijkste vaarwater, waar de doorgaande scheepvaart in principe voorrang heeft. Vaak een rivier, kanaal of belangrijke vaarroute.

Nevenvaarwater — een vaarwater dat uitmondt in het hoofdvaarwater. Denk aan een zijkanaal dat aansluit op een rivier, of een verbindingswater tussen twee meren.

Haven — voor de regels van art. 6.16 wordt een haven (waar je een hoofdvaarwater uitvaart of invaart) op dezelfde manier behandeld als een nevenvaarwater.

Maak deze fout niet

Denken dat "hoofd-" en "nevenvaarwater" gaat over de breedte of drukte. Het gaat om de structuur: welk vaarwater stroomt of mondt uit in het andere?

Hoe herken je het op de kaart?

Op de waterkaart is het onderscheid meestal duidelijk:

  • Een rivier of groot kanaal is doorgaans hoofdvaarwater
  • Een zijkanaal of haven die daarop uitkomt, is nevenvaarwater
  • Bij een T-splitsing van twee gelijkwaardige kanalen geldt geen hoofd-nevenvaarwater-onderscheid (zie hieronder)

Op het water wordt de status formeel aangewezen via verkeersteken E.9 (het gevolgde vaarwater geldt als hoofdvaarwater ten opzichte van het vaarwater dat daarin uitmondt) en E.10 (het gevolgde vaarwater geldt als nevenvaarwater ten opzichte van het vaarwater waarin het uitmondt). Staat er bij de uitmonding een verkeersteken B.9, dan geldt bovendien de voorrangsregel van art. 6.16 lid 8 (zie hieronder).

De rol van het B.9-teken

Verkeersteken B.9 (vierkant blauw bord met witte driehoek/pijl) staat aan de monding van een nevenvaarwater of haven. De letterlijke tekenbetekenis (Bijlage 7): verplichting niet het hoofdvaarwater op te varen of over te steken indien schepen op het hoofdvaarwater daardoor genoodzaakt worden hun koers of snelheid te wijzigen. In de juridische gedragsregel (art. 6.16 lid 8) is dit vertaald als: schepen die uit dit water komen moeten voorrang verlenen aan schepen op het hoofdvaarwater.

Zonder B.9 geldt een lichtere regel: medewerking verlangen (zie het topic Voorrang vs. medewerking). Dat verschil is essentieel — het bepaalt hoe streng de uitvarende schipper moet uitwijken.

Maak deze fout niet

Ervan uitgaan dat aan elke samenkomst van vaarwateren een B.9 staat. Vaak niet — dan geldt de medewerkingsregel. Check eerst of er een B.9 is, dan pas welke regel je toepast.

Wanneer is iets géén hoofd- of nevenvaarwater?

Niet elke vaarwater-kruising is een hoofd/neven-situatie. Bij twee gelijkwaardige vaarwateren — bijvoorbeeld twee kanalen van vergelijkbare functie en grootte die T- of X-vormig samenkomen — geldt art. 6.16 BPR niet.

Dan gelden de koerskruisen-regels van art. 6.17. Lid 1 bakent af welke situaties er níét onder vallen (waaronder de samenkomst van hoofd- en nevenvaarwater); de gedragsregels staan in de leden daarna:

  • Lid 2 — de hoofdregel: wie de stuurboordwal volgt, heeft voorrang op wie dat niet doet.
  • Lid 3 — volgt geen van beiden de stuurboordwal en kruisen een groot en een klein schip: het kleine schip verleent voorrang aan het grote.
  • Lid 4 — volgt geen van beiden de stuurboordwal en kruisen twee grote motorschepen: wie van bakboord nadert verleent voorrang aan wie van stuurboord nadert ("van rechts").

Bronnen

Gebaseerd op BPR art. 6.16 en Bijlage 7 (verkeersteken B.9).