Stuurboord

Begrippen

Nautische termen, verkeerstekens en lichten uitgelegd.

Woordenlijst — 175 nautische termen

A

B

Bakboord

De linkerkant van een schip, gezien van achter naar voor.

Boegschroef

Een dwarsschroef vooraan in het schip voor manoeuvreren.

Bolder

Een paaltje aan boord of op de kade om lijnen aan vast te maken.

Boordlicht

Een gekleurd zijlicht — rood aan bakboord, groen aan stuurboord.

Bol (dagteken)

Een zwarte bol overdag — het schip ligt voor anker.

Beperkt manoeuvreerbaar (RAM)

Een schip dat door zijn werkzaamheden niet vrij kan manoeuvreren.

Betonning

Het stelsel van drijvende tonnen dat vaargeulen markeert.

Brug

Een verbinding over water, vast of beweegbaar voor scheepvaart.

Brandstoffilter

Een filter dat water en vuil uit de brandstof haalt voor de motor.

Brandstof

De vloeistof waarop de scheepsmotor draait — meestal diesel of benzine.

Brandstoftank

De voorraadhouder voor brandstof aan boord.

Bunkeren

Tanken van brandstof aan boord van een schip.

Blokkanaal

Sectorkanaal bij sluizen en bruggen; verplicht over te schakelen bij teken B.11.

BMC

Basis Marifoon Certificaat — verplicht certificaat om een marifoon te bedienen.

Bovenstroomse koers

De koers die je moet sturen om compenserend voor stroom op de bestemming uit te komen.

B-teken (gebod)

Een verkeersteken dat een handeling verplicht stelt — blauw met witte symbolen.

Blauw bord (signaal)

Een blauw paneel met wit flikkerlicht — verzoek tot bakboord-bakboord passage.

Beperkt zicht

Situatie waarin zicht door weer of duisternis beperkt is.

Brandblusser

Toestel om beginnende brand aan boord te blussen.

Brandklasse

Indeling van branden op basis van wat er brandt.

BPR

Het Binnenvaartpolitiereglement — de hoofdverkeersregels op Nederlandse binnenwateren.

BAS

Berichten aan de Scheepvaart — actuele meldingen over vaarwater.

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

Stuurboord

De rechterkant van een schip, gezien van achter naar voor.

Stuurboordswal

De rechteroever van een vaarwater, gezien in de vaarrichting.

Schip

Een vaartuig dat geschikt is om mee te varen.

Snelle motorboot

Een klein motorschip dat sneller kan dan 20 km/u.

Snel schip

Een groter schip dat sneller kan dan 40 km/u.

Schroef

De draaiende propeller die het schip voortstuwt.

Stootwillen

Beschermkussens tussen schip en kade of ander schip.

Sluis

Een waterbouwkundig werk om schepen tussen verschillende waterniveaus te tillen.

Schutten

Het verplaatsen van een schip door een sluis naar een ander waterniveau.

Schroefeffect

De zijwaartse beweging van het achterschip door de draaiende schroef.

Sécurité

Veiligheidsbericht op kanaal 16 met navigatie- of meteorologische informatie.

Stroomhoek

De afwijking tussen ware koers en grondkoers door stromingsinvloed.

Springtij

Periode met het grootste getijverschil, bij volle of nieuwe maan.

Stroomatlas

Boek met stroomrichtingen en -snelheden per uur voor getijdengebieden.

Stroom

Horizontale waterverplaatsing door tij, rivierafvoer of wind.

Schaal van Beaufort

Schaal van 0 tot 12 om windkracht te classificeren.

Storm

Windkracht 9 of hoger op de schaal van Beaufort.

SRW

Het Scheepvaartreglement Westerschelde — geldt op de Westerschelde.

SRGM

Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas — geldt op de Maas tussen Nederland en België.

Schipper

De persoon die het schip bestuurt en verantwoordelijk is voor de vaart.

Sleepboot

Schip dat andere schepen of objecten voortsleept.

Slepen

Een ander schip voorttrekken — op tros achter of langszij vastgemaakt.

Sleep

Het geheel van sleepboot plus gesleept schip of object.

Snelheidsbord

Geel bord met snelheidslimiet in km/u op het water.

T

U

V

W

Z