Begrippen
Nautische termen, verkeerstekens en lichten uitgelegd.
Verkeerstekens
176 borden uit BPR Bijlage 7 — verboden, geboden, aanwijzingen
Lichten & dagmerken
31 artikel-illustraties uit BPR Bijlage 3 — scheepslichten en signalen
Woordenlijst — 171 nautische termen
A
Achter (hek)
De achterkant van een schip, ook wel hek of achtersteven genoemd.
Afvaart
Varen met de stroom mee (stroomafwaarts).
Aanleggen
Het schip langszij een kade of steiger leggen.
Afmeren
Het schip met lijnen vastleggen aan een kade of paal.
Ankeren
Het schip op de plek houden met een anker op de bodem.
Accu
De oplaadbare batterij die elektrische systemen aan boord voedt.
A-teken (verbod)
Een verkeersteken dat iets verbiedt — wit/rood met diagonale streep.
AIS
Systeem dat scheepspositie en -info via VHF uitzendt en ontvangt.
B
Bakboord
De linkerkant van een schip, gezien van achter naar voor.
Boegschroef
Een dwarsschroef vooraan in het schip voor manoeuvreren.
Bolder
Een paaltje aan boord of op de kade om lijnen aan vast te maken.
Boordlicht
Een gekleurd zijlicht — rood aan bakboord, groen aan stuurboord.
Bol (dagteken)
Een zwarte bol overdag — het schip ligt voor anker.
Beperkt manoeuvreerbaar (RAM)
Een schip dat door zijn werkzaamheden niet vrij kan manoeuvreren.
Betonning
Het stelsel van drijvende tonnen dat vaargeulen markeert.
Brug
Een verbinding over water, vast of beweegbaar voor scheepvaart.
Brandstoffilter
Een filter dat water en vuil uit de brandstof haalt voor de motor.
Brandstof
De vloeistof waarop de scheepsmotor draait — meestal diesel of benzine.
Brandstoftank
De voorraadhouder voor brandstof aan boord.
Bunkeren
Tanken van brandstof aan boord van een schip.
Bovenstroomse koers
De koers die je moet sturen om compenserend voor stroom op de bestemming uit te komen.
B-teken (gebod)
Een verkeersteken dat een handeling verplicht stelt — blauw met witte symbolen.
Blauw bord (signaal)
Een blauw paneel met wit flikkerlicht — verzoek tot bakboord-bakboord passage.
Beperkt zicht
Situatie waarin zicht door weer of duisternis beperkt is.
Brandblusser
Toestel om beginnende brand aan boord te blussen.
Brandklasse
Indeling van branden op basis van wat er brandt.
BPR
Het Binnenvaartpolitiereglement — de hoofdverkeersregels op Nederlandse binnenwateren.
BAS
Berichten aan de Scheepvaart — actuele meldingen over vaarwater.
C
D
Dwars
Loodrecht op de lengterichting van het schip, dus zijwaarts.
Diepgang
Hoe diep een schip in het water steekt.
Driekleurenlicht
Eén lamp in de masttop die rood, groen en wit toont.
Dagteken
Een zichtbaar symbool dat overdag de status van een schip aangeeft.
Doorvaarthoogte
De vrije ruimte tussen waterspiegel en onderkant van een brug.
Deviatie
De afwijking van het kompas door magnetische storing aan boord.
Drift
De zijwaartse verplaatsing van een schip door wind.
Dieptelijn
Een lijn op de zeekaart die punten van gelijke waterdiepte verbindt.
Doodtij
Periode met het kleinste getijverschil, bij eerste of laatste kwartier.
Depressie
Een lagedrukgebied met onstuimig weer.
E
F
G
Groot schip
Een schip van 20 meter of langer (BPR).
GPS
Satellietnavigatiesysteem voor positiebepaling.
Grondkoers
De werkelijke koers over de grond, beïnvloed door stroom en wind.
Getijden
Het regelmatige stijgen en dalen van zeewater door de aantrekkingskracht van maan en zon.
Getijverschil
Het hoogteverschil tussen hoogwater en laagwater.
Geluidssein
Een signaal met scheepshoorn om je manoeuvre of intentie kenbaar te maken.
Goed zeemanschap
De algemene plicht om altijd een aanvaring of gevaar te voorkomen.
Golfslag
Effect van de boeggolf van een schip op de omgeving.
H
I
J
K
Klein schip
Volgens het BPR een schip korter dan 20 meter.
Kiel
De onderzijde van de romp, het "ruggegraat" van het schip.
Kegel (dagteken)
Een zwarte kegel — zeilschip dat ook de motor gebruikt.
Kardinale betonning
Tonnen die met windstreken aangeven aan welke kant veilig water ligt.
Kade
Een verharde oever waar schepen kunnen aanleggen.
Koelsysteem
Het systeem dat de motor op werktemperatuur houdt.
Kanaal 16
Het internationale nood-, oproep- en luisterkanaal op de marifoon.
Kanaal 10
Het Nederlandse standaardkanaal voor nautische informatie.
Kaartplotter
Een GPS-apparaat met digitale zeekaart aan boord.
Kompaskoers (KK)
De koers zoals afgelezen op het magnetisch scheepskompas.
Kruispeiling
Positiebepaling door minimaal twee peilingen op kaart te kruisen.
Kentering
Het moment waarop de stroom van richting verandert.
Koerskruisen
Twee schepen waarvan de koersen elkaar snijden — niet recht tegemoetkomend.
Koufront
Front waar koude lucht warme lucht verdringt — snel en heftig weer.
KNRM
Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij — vrijwilligers die op zee redden.
Knoop
Snelheidseenheid op zee: 1 zeemijl per uur.
L
Loef
De zijde van het schip waar de wind vandaan komt.
Lij
De zijde van het schip die afgekeerd is van de wind.
Lijn
Een touw waarmee een schip wordt vastgemaakt of gesleept.
Laterale betonning
Tonnen die de zijden van een vaargeul markeren.
LAT
Lowest Astronomical Tide — het laagste theoretisch mogelijke waterpeil.
Lichtkarakter
Het herkenbare patroon waarmee een vuurtoren flitst.
Laagwater (LW)
Het moment waarop het tij het laagst staat tussen twee hoogwaters.
M
Motorschip
Een schip dat door een motor wordt voortbewogen.
Marifoon
De radio aan boord voor communicatie op scheepvaartfrequenties.
Mayday
Het internationale noodsignaal bij levensbedreigend gevaar.
Magnetische koers (MK)
De koers ten opzichte van het magnetisch noorden, gecorrigeerd voor deviatie.
Mistsein
Geluidssein bij beperkt zicht, om andere schepen te waarschuwen van je aanwezigheid.
Medewerking
Situatie waarin beide schepen actief moeten meedenken aan een veilige passage.
Mist
Bewolking op grondniveau, zicht onder 1 kilometer.
Man-overboord (MOB)
Persoon te water — directe noodsituatie aan boord.
N
Navigatieverlichting
De verplichte lichten die een schip 's nachts moet voeren.
Niet-manoeuvreerbaar (NUC)
Een schip dat door storing helemaal niet kan manoeuvreren.
Nevenvaarwater
Een secundair vaarwater dat uitkomt op een hoofdvaarwater.
NAP
Normaal Amsterdams Peil — het Nederlandse hoogtereferentievlak.
Noodvuurpijl
Rode signaalvlam om hulp aan te trekken bij nood.
Noodsein
Officieel erkend signaal dat aangeeft dat hulp nodig is.
O
P
R
Romp
De waterdichte buitenkant van een schip.
Roer
Het draaibare paneel onder of achter het schip waarmee je stuurt.
Ruit (dagteken)
Onderdeel van bol-ruit-bol — beperkt manoeuvreerbaar.
Regel van twaalfden
Een vuistregel om de waterhoogte op elk moment tussen HW en LW te schatten.
Reddingsvest
Drijfvest dat je hoofd boven water houdt bij overboord vallen.
Reddingsboei
Drijvende ring om naar een drenkeling te gooien.
Radarreflector
Object dat radarsignalen sterk terugkaatst zodat kleine schepen zichtbaar zijn.
RPR
Het Rijnvaartpolitiereglement — geldt op de Rijn en haar zijrivieren.
Registratiebewijs
Officiële identificatie van een pleziervaartuig.
Rijkswaterstaat
Beheerder van Nederlandse rijkswateren, vaarwegen en kunstwerken.
S
Stuurboord
De rechterkant van een schip, gezien van achter naar voor.
Stuurboordswal
De rechteroever van een vaarwater, gezien in de vaarrichting.
Schip
Een vaartuig dat geschikt is om mee te varen.
Snelle motorboot
Een klein motorschip dat sneller kan dan 20 km/u.
Snel schip
Een groter schip dat sneller kan dan 40 km/u.
Schroef
De draaiende propeller die het schip voortstuwt.
Stootwillen
Beschermkussens tussen schip en kade of ander schip.
Sluis
Een waterbouwkundig werk om schepen tussen verschillende waterniveaus te tillen.
Schutten
Het verplaatsen van een schip door een sluis naar een ander waterniveau.
Schroefeffect
De zijwaartse beweging van het achterschip door de draaiende schroef.
Stroomhoek
De afwijking tussen ware koers en grondkoers door stromingsinvloed.
Springtij
Periode met het grootste getijverschil, bij volle of nieuwe maan.
Stroomatlas
Boek met stroomrichtingen en -snelheden per uur voor getijdengebieden.
Stroom
Horizontale waterverplaatsing door tij, rivierafvoer of wind.
Schaal van Beaufort
Schaal van 0 tot 12 om windkracht te classificeren.
Storm
Windkracht 9 of hoger op de schaal van Beaufort.
SRW
Het Scheepvaartreglement Westerschelde — geldt op de Westerschelde.
SRGM
Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas — geldt op de Maas tussen Nederland en België.
Schipper
De persoon die het schip bestuurt en verantwoordelijk is voor de vaart.
Sleepboot
Schip dat andere schepen of objecten voortsleept.
Slepen
Een ander schip voorttrekken — op tros achter of langszij vastgemaakt.
Sleep
Het geheel van sleepboot plus gesleept schip of object.
Snelheidsbord
Geel bord met snelheidslimiet in km/u op het water.
T
U
Uitwijken
Koers of snelheid wijzigen om aanvaring te voorkomen.
Uitkijk
Een persoon die continu de omgeving observeert tijdens varen.
UJ-shape
De manoeuvre waarbij een schip in U- of J-vorm draait om man-overboord op te pikken.
Urenregistratie (logboek)
Bijhouden van vaartijd, eventueel voor verzekering of CWO-vaarbewijs.
UTC
Wereldtijd-standaard, gebruikt in getijdentabellen en zeevaart.
V
Voor (boeg)
De voorkant van een schip, ook wel boeg genoemd.
Vaargeul
Het gemarkeerde gedeelte van het water waar je veilig kunt varen.
Vaarweg
Een waterweg die bestemd is voor scheepvaart.
Viertaktmotor
Een motor met een apart oliecircuit voor smering.
Variatie
Het verschil tussen magnetisch en geografisch noorden, per locatie verschillend.
Verdubbeling boegpeiling
Een methode om je afstand tot een vast object te schatten zonder kaart.
Vuurtoren
Een hoge toren met licht dat schepen op zee oriëntatie geeft.
Vloed
De fase waarin het water stijgt, van laagwater naar hoogwater.
Verkeersteken
Een bord langs of in het vaarwater dat regels, geboden of waarschuwingen aangeeft.
Voorrang
Het recht om eerst te gaan; de ander moet uitwijken.
Vaarbewijs
Officieel bewijs van bevoegdheid om bepaalde schepen te besturen.
Vuilwatertank
Tank voor toiletafvalwater dat niet buitenboord mag worden geloosd.
Vissersvaartuig
Schip dat actief bezig is met visserij — vaak beperkt manoeuvreerbaar.
W
Ware koers (WK)
De koers ten opzichte van het werkelijke (geografische) noorden.
Wijken
De koers of snelheid wijzigen om een ander schip ongehinderd te laten varen.
Wind
Horizontale beweging van lucht door drukverschillen.
Warmfront
Front waar warme lucht langzaam over koude lucht schuift — geleidelijke verslechtering.
Wet van Buys Ballot
Rug naar de wind: lage druk links voor je (op noordelijk halfrond).
Wateralmanak
Jaarlijks naslagwerk met bedieningstijden bruggen, sluizen en marifoonkanalen.
Z
Zeilschip
Een schip dat door wind via zeilen wordt voortbewogen.
Zeekaart
Een gespecialiseerde kaart voor scheepvaart met dieptes, betonning en gevaren.
Zwaaicirkel
De cirkel die een ankerend schip beschrijft rond zijn anker.
Zeemijl
Afstandseenheid op zee: 1852 meter.
Zuiging
Aantrekkende kracht tussen twee dicht passerende schepen.
Bekijk in de Stuurboord app
Oefen met spaced repetition en proefexamens — geen account nodig
Begin gratis →