Begrippen

Nautische termen, verkeerstekens en lichten uitgelegd.

Woordenlijst — 171 nautische termen

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

Stuurboord

De rechterkant van een schip, gezien van achter naar voor.

Stuurboordswal

De rechteroever van een vaarwater, gezien in de vaarrichting.

Schip

Een vaartuig dat geschikt is om mee te varen.

Snelle motorboot

Een klein motorschip dat sneller kan dan 20 km/u.

Snel schip

Een groter schip dat sneller kan dan 40 km/u.

Schroef

De draaiende propeller die het schip voortstuwt.

Stootwillen

Beschermkussens tussen schip en kade of ander schip.

Sluis

Een waterbouwkundig werk om schepen tussen verschillende waterniveaus te tillen.

Schutten

Het verplaatsen van een schip door een sluis naar een ander waterniveau.

Schroefeffect

De zijwaartse beweging van het achterschip door de draaiende schroef.

Stroomhoek

De afwijking tussen ware koers en grondkoers door stromingsinvloed.

Springtij

Periode met het grootste getijverschil, bij volle of nieuwe maan.

Stroomatlas

Boek met stroomrichtingen en -snelheden per uur voor getijdengebieden.

Stroom

Horizontale waterverplaatsing door tij, rivierafvoer of wind.

Schaal van Beaufort

Schaal van 0 tot 12 om windkracht te classificeren.

Storm

Windkracht 9 of hoger op de schaal van Beaufort.

SRW

Het Scheepvaartreglement Westerschelde — geldt op de Westerschelde.

SRGM

Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas — geldt op de Maas tussen Nederland en België.

Schipper

De persoon die het schip bestuurt en verantwoordelijk is voor de vaart.

Sleepboot

Schip dat andere schepen of objecten voortsleept.

Slepen

Een ander schip voorttrekken — op tros achter of langszij vastgemaakt.

Sleep

Het geheel van sleepboot plus gesleept schip of object.

Snelheidsbord

Geel bord met snelheidslimiet in km/u op het water.

T

U

V

W

Z

Bekijk in de Stuurboord app

Oefen met spaced repetition en proefexamens — geen account nodig

Begin gratis →